CORNELIS CLAESZ. VAN WIERINGEN

Haarlem ca. 1575 – 1633

De inname van Damietta, vóór 1628

Olieverf op paneel, 72.6 x 136.5 cm

Gesigneerd op vlag rechtsonder: CORNELIS W

Herkomst:

Waarschijnlijk uitgevoerd als ”modello” voor het schilderij in het Hoofdkwartier van de Kalivermannen, Haarlem vóór 1628; Collectie Cl. Vignat, Neuilly, Parijs 1953; bij Galerie Marcus, Parijs 1957; particuliere collectie, Nederland.

 

Literatuur:

E.J. Kalf, De ‘Val van Damiate’ of het nut van vergissingen, in: Haerlem jaarboek 1980; Wiepke Loos, Willem Thybaut en een Haarlemse legende op Gouds kerkeglas, 1596, Spiegel Historiael, Vol. 17 (1982) pp. 213-220; Wim van Anrooij, Middeleeuwse sporen van de Haarlemse Damiate-legende, 1993; Ron J.W.M. Brand, “Bedreven in de konst van schepen ende see”. Cornelis Claesz. van Wieringen en de zeeschilderkunst aan het begin van de zeventiende eeuw, Pijnacker 1995; I. van Thiel-Stroman, Cornelis Claesz van Wieringen, in: Painting in Haarlem 1500-1850, Gent-Haarlem 2006, p. 343-346; Willem Frijhoff, Damiette appropriee, in: Revue du Nord, Vol. 88 no. 364 (jan-mrt 2006), pp. 7-42; J.J. van Moolenbroek, De ketting van Damietta, een Haarlems zaagschip en Willem I van Holland. Over de wording en standaardisering van een kruistochtmythe, in: Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 14 (2011), Bussum 2012.

Langs de oevers van de Nijl verrijzen verdedigingstorens. De voorste is met een korte pier verbonden met de oever links, terwijl de tweede op de tegenoverliggende oever deel uitmaakt van de wallen van de stad Damietta. Een koggeschip met een witrode vlag vaart de ketting kapot die tussen de twee torens is gespannen die de rivier afsluiten. Het schip wordt bestookt met pijlen en kanonskogels die door katapulten van beide torens worden geslingerd. Saraceense troepen met tulbanden nemen bezit van de pier. Andere schepen varen binnen. Rechts hangt een prinsenvlag in de hoofdmast, terwijl een katholieke vlag met de Heilige Maagd boven de hoofdmast hangt en de vlag van Holland boven de bezaan. Op de voorgrond kruipt een zeemonster uit het water.

Volgens oude kronieken veroverde een groep Haarlemmers in 1188 de stad Damietta in de Nijldelta als onderdeel van het bevrijden van de weg naar Jeruzalem, een prestatie die werd beloond door keizer Frederik I en de patriarch van Jeruzalem: het wapen van Haarlem werd uitgebreid met een zwaard en een Grieks kruis. De vroegste gedrukte vermelding van dit verhaal staat in de bundel samengesteld door Cornelius Aurelius, de Cronycke van Hollandt, Zeelandt en Vrieslant (fol. 147) die in 1517 te Leiden werd uitgegeven. Uiteraard besteedde Samuel Ampzing in zijn Beschryvinge ende lof der stad Haerlem uit 1628 (pp. 154-159) veel aandacht aan deze roemruchte daad.

Een oude Oosterse bron beschrijft de inname van Damietta in extenso. Het noemt de Bordj es-Selseleh, de kettingtoren, die diende als de ‘sleutel tot Egypte’. Het betrof een grote toren, gebouwd in het midden van de Nijl, met twee kettingen aan zijn beide zijden, de ene verbond met de oostelijke oever waar Damietta lag, de andere leidde naar de stad El- Bohaïreh. Zodra de zoon van sultan El-Kanul het nieuws over de val van zijn stad vernam, drukte hij zich zwaar op zijn borst en stierf.

De inname van Damietta (reeds afgebeeld in een miniatuur uit 1462) werd in de zestiende en zeventiende eeuw veelvuldig in opdracht van het Haarlemse stadsbestuur afgebeeld. Dit wapenfeit diende als symbool voor de eerbiedwaardige ouderdom van de stad en de heldhaftigheid, eensgezindheid en deugdzaamheid van haar burgers. Tot de belangrijkste weergaven behoren: de verdwenen glas-in-loodramen van de kerken in Edam (1518), Purmerend (1522), Enkhuizen (1522) en de nog bestaande ramen van de kerk in Egmond aan den Hoef; de gravure van Nicolaes Clock (1595); de Goudse glazen van Willem Thybaut in de St. Janskerk te Gouda (1596); de gravure van Willem Akersloot in Ampzing’s boek naar een verloren gegaan glas-in-loodraam van Jan van Bouckhorst in de Raadszaal van het Haarlemse stadhuis; het schilderij voor de Calivermannenzaal (Frans Halsmuseum, Haarlem); het huidige schilderij (mogelijk een modello voor het schilderij voor de Klovenierszaal); het gobelinwandtapijt van Joseph Thienpont naar ontwerp van Cornelis van Wieringen in de nieuwe Raadszaal van het stadhuis (1629); en de ets van Romein de Hooghe (ca. 1685). In 1603 gaf de stad Haarlem opdracht voor een glas-in-loodraam met de voorstelling Het schip van Damietta met Hendrick Cornelisz. Vroom, uitgevoerd door Claes Abrahamsen, bestemd voor het Gemeenlandshuis van Leiden. Een schilderij met hetzelfde onderwerp werd zo’n twintig jaar later bij dezelfde kunstenaar besteld. Zijn beide ontwerpen hebben het niet overleefd.

Aangezien Ampzing het schilderij van het Frans Halsmuseum beschrijft als een schoorsteenstuk voor de oorlogsraadzaal van de Kloveniers in zijn Lof der stad Haerlem, moet het geschilderd zijn vóór zijn publicatie in 1628. Hoeveel eerder is echter moeilijk vast te stellen, maar een datering vóór 1620 strookt niet met het huidige beeld van Van Wieringen’s artistieke ontwikkeling.

Chr. Pierson maakte een kopie naar Thibaud’s modello voor de Goudse glazen en voegde daar een gedicht op de stadslegende aan toe:

 

                        Hier overwint  heldhaftige deugd Damietta’s geweld

            Als men spreekt van een gebroken ketting  prijst men ook Haarlem

CORNELIS CLAESZ. VAN WIERINGEN

Scroll naar top