HENDRICK CORNELISZ VROOM

1562 – Haarlem-1640

Storm

Olieverf op doek, 98 x 183 cm

Gesigneerd: l. c. op 1e vlag: VROOM

Gedateerd: r. c. op 2e vlag: 1629

Extra afbeelding, klik voor meer informatie: deel 2 van “Een zeer zeldzaam paar zeegezichten”

 

 

Herkomst: Frankrijk, particuliere verzameling

Tentoongesteld:

De kalme zee werd uitgeleend aan het Nationaal Archief, Den Haag voor de VOC tentoonstelling, (24.02.2017 -24.06.2018) De storm werd in bruikleen gegeven aan het Singer Museum voor de tentoonstelling ‘Weer en Wind. Avercamp tot Willink (03.09.2019 -05.01.2020) en de Koninklijke bibliotheek van België, Brussel, voor de expositie ‘Breughel in black and white’ (14.10.2019 -16.02.2020).

Beide gesigneerd en gedateerd: VROOM 1629

De kunstenaar, Hendrick Cornelisz Vroom, werd in 1562 of 1563 in Haarlem geboren. Aanvankelijk verdiende hij de kost als schilder van Delfts aardewerk. Daarna reisde hij veel door Spanje, Italië, Frankrijk en Polen. In Italië maakte hij kennis met de schilder Paulus Bril en kreeg hij werk van kardinaal Ferdinand de’ Medici. Bij zijn uiteindelijke terugkeer naar Haarlem ontwikkelde hij zijn carrière als marineschilder. In de jaren 1590 kreeg hij de opdracht om een serie van tien wandtapijten te ontwerpen voor de Engelse Lord Admiral, Lord Howard of Effingham (Earl of Nottingham vanaf 1596), ter herinnering aan diens overwinning op de Spaanse Armada. Deze wandtapijten hingen vanaf 1650 in het Hogerhuis in Westminster en werden bij de brand van 1834 verwoest. Gelukkig zijn ze zijn vastgelegd in gravures, gemaakt door John Pine, in 1739.

Vroom was een pionier op het gebied van de maritieme schilderkunst toen de Nederlanden uitgroeiden tot een toonaangevende maritieme macht. Hij kreeg internationale bekendheid om zijn moderne stijl van schilderen waarbij de schepen en tuigage uiterst nauwkeurig zijn weergegeven.  Vroom overleed in Haarlem in 1640. Hij wordt algemeen beschouwd als de eerste ‘Hollandse’ marineschilder.

Op de voorgrond bevinden zich twee zeemonsters in de donkergroene golven. De gevaren van de overtocht worden verbeeld door het monster. Als zodanig lijkt het onderwerp de moralistische overtuiging te herhalen, die in de eigentijdse embleemliteratuur wordt aangehangen, dat men af en toe al zijn rijkdommen moet opofferen om zijn leven te redden. De aanwezigheid van het monster wijst op de impliciete allegorie van het schip dat de mensheid en de menselijke ziel over de hachelijke zeeën van het leven voert.

Er zijn ook dichters als William Shakespeare die veelvuldig en gebruik maken van verwijzingen naar de zee en dingen die ermee te maken hebben. Het volgende, uit Ariel’s Song in Act I, Scene ii van The Tempest, wordt als “wonderbaarlijk evocatief” ervaren, en duidt op een “diepgaande transformatie”:

Full fathom five thy father lies:
Of his bones are coral made:
Those are pearls that were his eyes:
Nothing of him that doth fade
But doth suffer a sea-change
Into something rich and strange.

HENDRICK CORNELISZ VROOM

Scroll naar top